ankeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·ke·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ankeren
ankerde
geankerd
zwak -d volledig

Werkwoord

ankeren

  1. (inergatief) (scheepvaart) het anker uitgooien met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
  2. (overgankelijk) (scheepvaart) voor anker liggen
    Zij ankerden hun zeilboot enige tijd in een inham om wat te kunnen zwemmen.
  3. (figuurlijk) zich ergens een vaste positie verwerven, een zitplaats bemachtigen, ergens gaan wonen
  4. iets vastmaken met ankers
Synoniemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Ergens geankerd zijn.
    • Zich ergens vestigen.
    • (nautisch) Zich niet gemakkelijk laten wegsturen.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen