ankeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- an·ke·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ankeren |
ankerde |
geankerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
ankeren
- (inergatief) (scheepvaart) het anker uitgooien met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
- (overgankelijk) (scheepvaart) voor anker liggen
- Zij ankerden hun zeilboot enige tijd in een inham om wat te kunnen zwemmen.
- (figuurlijk) zich ergens een vaste positie verwerven, een zitplaats bemachtigen, ergens gaan wonen
- iets vastmaken met ankers
Synoniemen
- [1] meren
- [4] verankeren
Verwante begrippen
- [1] vastleggen
Uitdrukkingen en gezegden
- Ergens geankerd zijn.
- Zich ergens vestigen.
- (nautisch) Zich niet gemakkelijk laten wegsturen.
Vertalingen
1. het anker uitgooien met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
3. zich ergens een vaste positie verwerven, een zitplaats bemachtigen, ergens gaan wonen