afvragen/vervoeging
Uit WikiWoordenboek
| vervoeging van het Nederlandse werkwoord zich afvragen | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| tegenwoordige tijd | verleden tijd | toekomende tijd | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | ||||||
| ik | vraag me af (bijzin) me afvraag |
wij, we | vragen ons af (bijzin) ons afvragen |
ik | vroeg me af (bijzin) me afvroeg vraagde me af (bijzin) me afvraagde |
wij, we | vroegen ons af (bijzin) ons afvroegen vraagden ons af (bijzin) ons afvraagden |
ik | zal me afvragen | wij, we | zullen ons afvragen |
| jij, je, u gij, ge |
vraagt je/zich/u af (bijzin) je/u afvraagt |
jullie | vragen je af (bijzin) je afvragen |
jij, je, u gij, ge |
vroeg je/zich/u af (bijzin) je afvroeg vraagde je/zich/u af (bijzin) je afvraagde |
jullie | vroegen je af (bijzin) je afvroegen vraagden je af (bijzin) je afvraagden |
jij, je, u gij, ge |
zal, zult je/zich/u afvragen zult u afvragen |
jullie | zullen je afvragen |
| hij, zij, het | vraagt zich af (bijzin) zich afvraagt |
zij, ze | vragen zich af (bijzin) zich afvragen |
hij, zij, het | vroeg zich af (bijzin) zich afvroeg vraagde zich af (bijzin) zich afvraagde |
zij, ze | vroegen zich af (bijzin) zich afvroegen vraagden zich af (bijzin) zich afvraagden |
hij, zij, het | zal zich afvragen | zij, ze | zullen zich afvragen |
| onvoltooid deelwoord | voltooide tijd | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| zich afvragend | zich afgevraagd hebben | vraag u/je af, vraagt je af | vrage zich af (bijzin) zich afvrage |
||||||||