aft

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aft
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aft aften
verkleinwoord aftje aftjes

Zelfstandig naamwoord

aft v/m

  1. een kleine zweer in de mond ten gevolge van een virus
    Ongeveer één op de tien mensen heeft geregeld een aft.
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie