afgevaardigde
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·ge·vaar·dig·de
Woordherkomst en -opbouw
- Gesubstantiveerde vorm van afgevaardigd.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afgevaardigde | afgevaardigden |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
afgevaardigde m
- iemand die verkozen of aangewezen is een groep of gebied in een vergadering te vertegenwoordigen.
- Hij is de afgevaardigde van de minister.
Vertalingen
1. iemand die verkozen of aangewezen is een groep of gebied in een vergadering te vertegenwoordigen
Bijvoeglijk naamwoord
afgevaardigde
- verbogen vorm van de stellende trap van afgevaardigd.