afgelast
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·ge·last
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| afgelasten |
afgelast
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afgelasten
- ... dat ik afgelast.
- (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afgelasten
- ... dat jij afgelast.
- (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afgelasten
- ... dat hij afgelast.
| vervoeging van |
|---|
| afgelasten |
afgelast
- voltooid deelwoord van afgelasten
| vervoeging van |
|---|
| aflassen |
afgelast
- voltooid deelwoord van aflassen
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | afgelast |
| verbogen | afgelaste |
Bijvoeglijk naamwoord
afgelast
- een evenement niet door laten gaan
- De afgelaste wedstrijd moet volgende week ingehaald worden.
- een voltooid laswerk
- Het afgelaste hek werd direct na het lassen groen gespoten.