afgelast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ge·last

Werkwoord

vervoeging van
afgelasten

afgelast

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afgelasten
    ... dat ik afgelast.
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afgelasten
    ... dat jij afgelast.
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afgelasten
    ... dat hij afgelast.
vervoeging van
afgelasten

afgelast

  1. voltooid deelwoord van afgelasten
vervoeging van
aflassen

afgelast

  1. voltooid deelwoord van aflassen
stellend
onverbogen afgelast
verbogen afgelaste

Bijvoeglijk naamwoord

afgelast

  1. een evenement niet door laten gaan
    De afgelaste wedstrijd moet volgende week ingehaald worden.
  2. een voltooid laswerk
    Het afgelaste hek werd direct na het lassen groen gespoten.