afgelast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ge·last

Werkwoord

vervoeging van
afgelasten

afgelast

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afgelasten
    ... dat ik afgelast.
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afgelasten
    ... dat jij afgelast.
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afgelasten
    ... dat hij afgelast.

Deelwoord

deelwoord
onverbogen afgelast
verbogen afgelaste
vervoeging van
afgelasten

afgelast voltooid deelwoord van afgelasten

  1. vormt de voltooide tijden
    De organisatie heeft de wandeltocht vanwege de hitte afgelast.
  2. vormt de lijdende vorm
    De wedstrijd werd afgelast wegens slecht veld.
  3. attributief gebruikt een evenement niet door laten gaan
    De afgelaste wedstrijd moet volgende week ingehaald worden.
  4. als naamwoordelijk deel van het gezegde gebruikt
    Wegens ziekte zijn haar officiële verplichtingen voor deze week afgelast.

Deelwoord

deelwoord
onverbogen afgelast
verbogen afgelaste
vervoeging van
aflassen

afgelast voltooid deelwoord van aflassen

  1. vormt de voltooide tijden
    De lasser heeft de constructie afgelast.
  2. vormt de lijdende vorm
    De diverse staalconstructies worden lasklaar samengebouwd en afgelast.
  3. attributief gebruikt een voltooid laswerk
    Het afgelaste hek werd direct na het lassen groen gespoten.
  4. als naamwoordelijk deel van het gezegde gebruikt
    De romp van de boot is dubbelzijdig afgelast.