abbestellen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Duits
Uitspraak
- IPA: /ˈapbəʃtɛln̩/, (duidelijk uitgesproken) /ˌapbəˈʃtɛlən/
Woordafbreking
- ab·be·stel·len
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| abbestellen /ˈapbəʃtɛln̩/, /ˌapbəˈʃtɛlən/ |
bestellte ab /bəˈʃtɛltəʔap/ |
abbestellt /ˈapbəʃtɛlt/ |
| zwak | volledig | |
Werkwoord
abbestellen
- (overgankelijk) afbestellen, afzeggen, opzeggen
- «Das Abonnement für diese Zeitung bestelle ich ab.»
- Het abonnement voor dit blad zeg ik op.
- «Er bestellte das Hotelzimmer ab.»
- Hij zegde de hotelkamer af.
- «Das Abonnement für diese Zeitung bestelle ich ab.»
- (overgankelijk) afzeggen
- «Sie reparierten den Rohrbruch selbst und bestellten den Klempner ab.»
- Zij repareerden de pijpbreuk zelf en zeiden de loodgieter af.
- «Sie reparierten den Rohrbruch selbst und bestellten den Klempner ab.»
- (overgankelijk) (eufemisme), vaak ook (schertsend) zijn opzeg krijgen
- «Nach dem Vorfall wurde der Leiter abbestellt und ein neuer provisorisch eingesetzt.»
- Naar het voorval had de leider zijn opzeg gekregen en één nieuw wordt provisorisch ingeschakeld.
- «Nach dem Vorfall wurde der Leiter abbestellt und ein neuer provisorisch eingesetzt.»
Synoniemen
- [1]: kündigen
- [1]: stornieren
- [3]: entlassen
- [3]: kündigen
- [3]: suspendieren
Antoniemen
Hyperoniemen
- [1]: widerrufen
Afgeleide begrippen
- [1-3]: Abbestellen
- [1-3]: Abbestellung