aarzelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aar·ze·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aarzelen |
aarzelde |
geaarzeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
aarzelen
- (inergatief) onzeker zijn, twijfelen
- Hij aarzelde nog wel een beetje, maar ging uiteindelijk toch.