aarzelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aar·ze·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aarzelen
aarzelde
geaarzeld
zwak -d volledig

Werkwoord

aarzelen

  1. (inergatief) onzeker zijn, twijfelen
    Hij aarzelde nog wel een beetje, maar ging uiteindelijk toch.
Verwante begrippen
Vertalingen