aaibaar
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aai·baar
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van aaien met het achtervoegsel -baar.
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | aaibaar | aaibaarder | aaibaarst |
| verbogen | aaibare | aaibaardere | aaibaarste |
Bijvoeglijk naamwoord
aaibaar
- mogelijk om te aaien, benaderbaar
- Wilde konijnen zijn niet zo aaibaar als tamme.
- vriendelijk.
- Zij heeft een aaibaar uiterlijk.