zwom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwom

Werkwoord

vervoeging van
zwemmen

zwom

  1. enkelvoud verleden tijd van zwemmen
    • Ik zwom. 
    • Jij zwom. 
    • Hij, zij, het zwom.