zuchtte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zucht·te

Werkwoord

vervoeging van
zuchten

zuchtte

  1. enkelvoud verleden tijd van zuchten
    • Ik zuchtte. 
    • Jij zuchtte. 
    • Hij, zij, het zuchtte.