zantte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zant·te

Werkwoord

vervoeging van
zanten

zantte

  1. enkelvoud verleden tijd van zanten
    • Ik zantte. 
    • Jij zantte. 
    • Hij, zij, het zantte.