weefde
Uiterlijk
- weef·de
| vervoeging van |
|---|
| weven |
weefde
- enkelvoud verleden tijd van weven
- Ik weefde.
- Jij weefde.
- Hij, zij, het weefde.
- Ik weefde.
- Het woord weefde staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
| vervoeging van |
|---|
| weven |
weefde