wean

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to wean
he/she/it weans
verleden tijd weaned
voltooid
deelwoord
weaned
onvoltooid
deelwoord
weaning
gebiedende wijs wean

Werkwoord

wean

  1. spenen
    «The child was weaned after almost a year.»
    Het kind werd na bijna een jaar gespeend.
  2. afgewennen, ontwennen
    «It will be hard to wean the economy from its dependence on oil.»
    Het zal moeilijk zijn de economie te ontwennen van haar afhankelijkheid van olie.