ontwennen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·wen·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontwennen
ontwende
ontwend
zwak -d volledig

Werkwoord

ontwennen

  1. het lichamelijk en/of geestelijk losmaken van datgene waar men aan gewend geraakt is
    • Na het drugsgebruik moesten ze ontwennen. 
  2. ergatief een gewenning kwijtraken
    • Hij was dat helemaal ontwend. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.