wantte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • want·te

Werkwoord

vervoeging van
wanten

wantte

  1. enkelvoud verleden tijd van wanten
    • Ik wantte. 
    • Jij wantte. 
    • Hij, zij, het wantte.