voorzeg
Uiterlijk
- voor·zeg
| vervoeging van |
|---|
| voorzeggen |
voorzeg
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorzeggen
- ... dat ik voorzeg.
| vervoeging van |
|---|
| voorzeggen |
voorzeg
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorzeggen
- Ik voorzeg.
- gebiedende wijs van voorzeggen
- Voorzeg!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorzeggen
- Voorzeg je?
- Het woord voorzeg staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.