voorzagen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·za·gen

Werkwoord

vervoeging van
voorzien

voorzagen

  1. meervoud verleden tijd van voorzien
    • Wij voorzagen. 
    • Jullie voorzagen. 
    • Zij voorzagen.