vielen
Uiterlijk
- vie·len
| vervoeging van |
|---|
| vallen |
vielen
- meervoud verleden tijd van vallen
- Wij vielen.
- Jullie vielen.
- Zij vielen.
- Wij vielen.
- ▸ En toen vielen we zelf stil, ik achter de houten balie, hij aan de andere kant, met het in bruin papier gewikkelde pakje tussen ons in.[1]
- ▸ Marjorie Quick was klein en tenger, met een kaarsrechte rug, en bij haar manier van kleden vielen Pamela's inspanningen totaal in het niet.[1]
- ▸ We vielen in slaap onder een brug, waardoor we in de ochtend moesten meebewegen met de schaduw.[2]
- Het woord vielen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- 1 2 Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers
