vestigde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ves·tig·de

Werkwoord

vervoeging van
vestigen

vestigde

  1. enkelvoud verleden tijd van vestigen
    • Ik vestigde. 
    • Jij vestigde. 
    • Hij, zij, het vestigde.