verzat
Uiterlijk
- ver·zat
| vervoeging van |
|---|
| verzitten |
verzat
- enkelvoud verleden tijd van verzitten
- Ik verzat.
- Jij verzat.
- Hij, zij, het verzat.
- Ik verzat.
- Het woord verzat staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
| vervoeging van |
|---|
| verzitten |
verzat