verzadigt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·za·digt

Werkwoord

vervoeging van
verzadigen

verzadigt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verzadigen
    • Jij verzadigt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verzadigen
    • Hij verzadigt. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van verzadigen
    • Verzadigt!