verveloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ve·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van verf met het achtervoegsel -loos met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen verveloos vervelozer verveloost
verbogen verveloze vervelozere vervelooste
partitief verveloos vervelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

verveloos

  1. zonder verf
    • Nadat het huis 20 jaar niet was geverfd zag het er verveloos uit. 
  2. slecht onderhouden
    • Het koste veel geld en moeite om het verveloze huis weer netjes te maken. 
Synoniemen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.