verpandden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·pand·den

Werkwoord

vervoeging van
verpanden

verpandden

  1. meervoud verleden tijd van verpanden
    • Wij verpandden. 
    • Jullie verpandden. 
    • Zij verpandden.