Naar inhoud springen
transites
- tweede persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van transiter
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van transiter
transites
- aanvoegende wijs tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van transitar
- gebiedende wijs (ontkennend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van transitar