tig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tig
Woordherkomst en -opbouw

Onbepaald hoofdtelwoord

tig

  1. (informeel) groot aantal, in de ogen van de spreker meer dan toereikend
    • Over biologie deed Manouk langer dan ze tijdens de oefenexamens nodig had. "Omdat ik elk antwoord tig keer controleerde voordat ik er zeker van was." [5]
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
39 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen