telefoneert

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·le·fo·neert

Werkwoord

vervoeging van
telefoneren

telefoneert

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van telefoneren
    • Jij telefoneert. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van telefoneren
    • Hij telefoneert. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van telefoneren
    • Telefoneert!