tangentieel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tan·gen·ti·eel
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen tangentieel tangentiëler tangentieelst
verbogen tangentiële tangentiëlere tangentieelste
partitief tangentieels tangentiëlers -

Bijvoeglijk naamwoord

tangentieel

  1. met de raaklijn samenhangend
  2. met betrekking tot de tangens
Antoniemen

Meer informatie

Gangbaarheid

51 % van de Nederlanders;
58 % van de Vlamingen.