sweer
Uiterlijk
| stamtijd | |
|---|---|
| infinitief | voltooid deelwoord |
| sweer |
gesweer |
| volledig | |
sweer
- zweren
- «Die leenman het aan die koning 'n eed moet sweer dat hy de koning militêr sal steun en trou sal wees.»
- De leenman heeft de koning een eed moeten zweren dat hij hem militair zou steunen en trouw aan hem zou zijn.
- «Die leenman het aan die koning 'n eed moet sweer dat hy de koning militêr sal steun en trou sal wees.»