stuitte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stuit·te

Werkwoord

vervoeging van
stuiten

stuitte

  1. enkelvoud verleden tijd van stuiten
    • Ik stuitte. 
    • Jij stuitte. 
    • Hij, zij, het stuitte.