stadje
Uiterlijk
- stad·je
het stadje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord stad
- ▸ Dit pittoreske stadje met zijn kleine straatjes blijft lang verborgen, want het stadje ligt als een adelaarsnest tegen de achterkant van een hoge rots gevleid.[1]
- ▸ Nicolas weet niet dat ik hier ben, hij is naar een huisarts in een stadje een paar kilometer verderop om zijn snee te laten hechten.[2]
- Het woord stadje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280