spaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spaar

Werkwoord

vervoeging van
sparen

spaar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sparen
    • Ik spaar. 
  2. gebiedende wijs van sparen
    • Spaar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sparen
    • Spaar je?