sneuvelde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sneu·vel·de

Werkwoord

vervoeging van
sneuvelen

sneuvelde

  1. enkelvoud verleden tijd van sneuvelen
    • Ik sneuvelde. 
    • Jij sneuvelde. 
    • Hij, zij, het sneuvelde.