sneuvelen
Uiterlijk
- sneu·ve·len
- In de betekenis van ‘omkomen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1620 [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| sneuvelen |
sneuvelde |
gesneuveld |
| zwak -d | volledig | |
sneuvelen
- ergatief omkomen in de strijd
- Er zijn in de beide Wereldoorlogen miljoenen gesneuveld.
- ergatief kapot gaan door te breken
- Door de ontploffing sneuvelden er veel ruiten.
- ▸ De jonge ondernemer is hoopvol dat de Italiaanse anti-hennepwet na een juridisch traject zal sneuvelen. Hoogst onzeker is hoelang dat zal duren. En die onzekerheid is bad for business, merkt hij al maanden: "Investeerders gaan naar landen waar het veiliger is en klanten durven geen bestellingen meer te plaatsen."[2]
- Het woord sneuvelen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "sneuvelen" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ "sneuvelen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Weblink bron Heleen D'Haens“Hennepverbod Italië wekt verbazing: 'net zo gevaarlijk als een kerstomaatje'” (13 april 2025), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Ergatief werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %