Naar inhoud springen

sneuvelen

Uit WikiWoordenboek
  • sneu·ve·len
  • In de betekenis van ‘omkomen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1620 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sneuvelen
sneuvelde
gesneuveld
zwak -d volledig

sneuvelen

  1. ergatief omkomen in de strijd
    • Er zijn in de beide Wereldoorlogen miljoenen gesneuveld. 
  2. ergatief kapot gaan door te breken
    • Door de ontploffing sneuvelden er veel ruiten. 
     De jonge ondernemer is hoopvol dat de Italiaanse anti-hennepwet na een juridisch traject zal sneuvelen. Hoogst onzeker is hoelang dat zal duren. En die onzekerheid is bad for business, merkt hij al maanden: "Investeerders gaan naar landen waar het veiliger is en klanten durven geen bestellingen meer te plaatsen."[2]
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]