snak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snak

Werkwoord

vervoeging van
snakken

snak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snakken
    • Ik snak. 
  2. gebiedende wijs van snakken
    • Snak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snakken
    • Snak je? 

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders
76 % van de Vlamingen.