snakken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snak·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
snakken
snakte
gesnakt
zwak -t volledig

Werkwoord

snakken

  1. inergatief in ademnood naar lucht happen
    • Na die lange duik kwam zij snakkend boven. 
  2. inergatief heftig naar iets verlangen, veelal na ontbering ervan
    • Na weken regen en wijdverbreide wateroverlast snakte heel Nederland naar een droge dag met zonneschijn. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.


Noors

Woordafbreking
  • snak·ken
Naar frequentie 27713

Zelfstandig naamwoord

snakken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van snakk
Synoniemen