slokken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slok·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘doorzwelgen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1488 [1]

Zelfstandig naamwoord

slokken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord slok

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen