sidderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sid·de·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sidderen
sidderde
gesidderd
zwak -d volledig

Werkwoord

sidderen

  1. (inergatief) van angst beven
    De weerloze mensen sidderden toen zij de woestelingen op zich af zagen komen.