scratchte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scratch·te

Werkwoord

vervoeging van
scratchen

scratchte

  1. enkelvoud verleden tijd van scratchen
    • Ik scratchte. 
    • Jij scratchte. 
    • Hij, zij, het scratchte. 


Duits

Uitspraak
  • IPA: / ˈskʀæʧtə /
Woordafbreking
  • scratch·te

Werkwoord

scratchte

  1. eerste persoon enkelvoud aantonende wijs verleden tijd van scratchen
  2. derde persoon enkelvoud aantonende wijs verleden tijd van scratchen
  3. eerste persoon enkelvoud aanvoegende wijs II verleden tijd van scratchen
  4. derde persoon enkelvoud aanvoegende wijs II verleden tijd van scratchen