scheluw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sche·luw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen scheluw scheluwer scheluwst
verbogen scheluwe scheluwere scheluwste
partitief scheluws scheluwers -

Bijvoeglijk naamwoord

scheluw

  1. niet geheel vlak, bijvoorbeeld door kromtrekking
    • Door het vocht was de deur gaan werken en scheluw geworden en sloot niet goed meer. 

Gangbaarheid

22 % van de Nederlanders;
15 % van de Vlamingen.

Meer informatie