roemvol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • roem·vol
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen roemvol roemvoller roemvolst
verbogen roemvolle roemvollere roemvolste
partitief roemvols roemvollers -

Bijvoeglijk naamwoord

roemvol

  1. met veel roem
    • Het voetbalteam behaalde een roemvolle overwinning op het toernooi. 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be