reveleerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·ve·leer·de

Werkwoord

vervoeging van
reveleren

reveleerde

  1. enkelvoud verleden tijd van reveleren
    • Ik reveleerde. 
    • Jij reveleerde. 
    • Hij, zij, het reveleerde.