Naar inhoud springen

reluquer

Uit WikiWoordenboek
1. Hij houdt ervan naar de vrouwtjes te gluren.
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
reluquer
reluquais
reluqué
eerste groep volledig

reluquer

  1. (spreektaal) begluren, begerig kijken, een begerige blik werpen
    «Il adore reluquer les nanas.»
    Hij houdt ervan naar de vrouwtjes te gluren. [1]
  2. (spreektaal) azen op
    «Ils ont reluqué le magot sous couleur de le soigner.»
    Ze aasden op de poen terwijl ze hem zogenaamd verzorgden. [1]