reinigden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rei·nig·den

Werkwoord

vervoeging van
reinigen

reinigden

  1. meervoud verleden tijd van reinigen
    Wij reinigden.
    Jullie reinigden.
    Zij reinigden.