refaire
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| refaire /ʁə.fɛʁ/ |
refaisais /ʁə.fə.zɛ/ |
refait /ʁə.fɛ/ |
| derde groep | volledig | |
refaire
- hermaken; opnieuw maken
- namaken
- repareren; herstellen
- (spreektaal) oplichten, tillen
- «Ils ont refait ce vieux pépère de cinquante balles.»
- Ze hebben die ouwe opa voor vijftig piek getild. [1]
- «Ils ont refait ce vieux pépère de cinquante balles.»