pril

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pril
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen pril priller prilst
verbogen prille prillere prilste
partitief prils prillers -

Bijvoeglijk naamwoord

pril

  1. gloednieuw, zijn debuut makend, kwetsbaar, onschuldig
    Dit was het prilste begin van de lente, aangekondigd door de eerste sneeuwklokjes die hun kopjes boven de sneeuw uitstaken.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie