pluggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plug·gen

Zelfstandig naamwoord

pluggen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord plug

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Noors

Woordafbreking
  • plug·gen
Naar frequentie 30367

Zelfstandig naamwoord

pluggen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van plugg


Nynorsk

Woordafbreking
  • plug·gen

Zelfstandig naamwoord

pluggen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van plugg