Naar inhoud springen

playback

Uit WikiWoordenboek
  • play·back
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘afspelen van een geluidsband waarbij de artiest alleen de gebaren maakt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1965 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord playback playbacks
verkleinwoord playbackje playbackjes

deplaybackm

  1. (muziek) net doen alsof men zingt of musiceert, terwijl het geluid van een opname komt

playback

  1. het playback zingen of musiceren
vervoeging van
playbacken

playback

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van playbacken
    • Ik playback. 
  2. gebiedende wijs van playbacken
    • Playback! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van playbacken
    • Playback je? 
98 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[2]
  • Afgeleid van play back
enkelvoud meervoud
playback playbacks

playback

  1. playback