overblufte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·bluf·te

Werkwoord

vervoeging van
overbluffen

overblufte

  1. enkelvoud verleden tijd van overbluffen
    • Ik overblufte. 
    • Jij overblufte. 
    • Hij, zij, het overblufte. 
  2. verbogen vorm van overbluft, voltooid deelwoord van overbluffen