opperden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·per·den

Werkwoord

vervoeging van
opperen

opperden

  1. meervoud verleden tijd van opperen
    • Wij opperden. 
    • Jullie opperden. 
    • Zij opperden.