Naar inhoud springen

oploop

Uit WikiWoordenboek
  • op·loop
enkelvoud meervoud
naamwoord oploop oplopen
verkleinwoord oploopje oploopjes

deoploopm

  1. samenscholing van mensen op een straat of plein, vaak gericht op iets waar ze boos over zijn
vervoeging van
oplopen

oploop

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oplopen
    • ... dat ik oploop. 
94 %van de Nederlanders;
77 %van de Vlamingen.[2]