oploop
Uiterlijk
- op·loop
- zn: van Middelnederlands oploop, op te vatten als naamwoord van handeling van oplopen ww (3) [1]
- ww: oplopen ww zonder de uitgang -en
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | oploop | oplopen |
| verkleinwoord | oploopje | oploopjes |
de oploop m
- samenscholing van mensen op een straat of plein, vaak gericht op iets waar ze boos over zijn
| vervoeging van |
|---|
| oplopen |
oploop
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oplopen
- ... dat ik oploop.
- Het woord oploop staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "oploop" herkend door:
| 94 % | van de Nederlanders; |
| 77 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 94 %
- Prevalentie Vlaanderen 77 %